Enkele weken geleden schreef ik over de gelijkenis van de verloren zoon. In mijn stukje stel ik dat wij als christenen misschien wel de oudste zoon zijn. En andersdenkenden de jongste zoon. De oudste zoon leeft bij de Vader en de jongste zoon ver weg. In de gelijkenis komt de jongste zoon een hoop ellende tegen en keert vervolgens naar zijn Vader terug. Maar wat als de ellende uitblijft?

De jongste zoon leeft zijn vrije leven in een ver land, heerlijk! Geen zorgen, geld genoeg, vrienden in overvloed en hij denkt geen moment aan thuis. Veel mensen die niet (meer) geloven leven hun leven op een soortgelijke manier. Een goede baan, een mooi inkomen, huisje, boompje, beestje etc. Wie doet me wat? Ze hebben hun leven op orde, alles is voor elkaar. En wij, als christenen, willen hun gaan vertellen dat ze God nodig hebben. Waarom dan? Kijk om je heen wat voor ellende ervan komt als je gelooft. Nergens zoveel verdeeldheid als in de kerk en echt gelukkig lijken we niet met het juk van zonde op onze schouders…

Als kerk, als christen, zit je er maar mooi mee in je maag. Geroepen om alle mensen te vertellen van de blijde boodschap terwijl de ander er helemaal niet op zit te wachten. Iets wat we misschien nog wel begrijpen ook. Ik stel me zo voor dat als de oudste zoon, op verzoek van zijn Vader, zijn jongere broer op zou zoeken tijdens zijn vrije leventje een soortgelijk gevoel moet hebben gehad. Je komt een feestje binnen, ziet je broertje heerlijk genietend en jij moet hem van je vader overhalen om mee naar huis te komen. Met welke argumenten kunnen wij de jongste zoon bereiken?

Deze vraag houdt mij nu al een tijdje bezig. Het antwoord heb ik nog niet gevonden. Ik probeer het anders te benaderen, zou ik zo willen leven als de jongste zoon? Dan is mijn antwoord ‘nee’. Mijn geloof geeft mij een houvast en een troost die ik niet los kan en wil laten. Door de genade die de Vader mij gaf en geeft mag ik vrij zijn, bij Hem horen en weet ik dat het gemeste kalf ook voor mij geslacht wordt. Een feest dat echt groter, mooier en dieper is dan de feestjes en het genieten hier, maar of ik daarmee een ongelovige overhaal? Het voorspiegelen van de mogelijke ellende helpt ook niet. Als die komt is het voor de jongste zoon pas tijd om terug te denken aan zijn Vader. Misschien is het enige wat helpt, een herinnering mee te geven voor als het minder gaat. ‘Broertje, als het minder gaat, kom dan naar Pappa. Hij wacht op je, Hij kijkt naar je uit! En Hij wil je helpen, ook als het nodig is.’

Uiteindelijk gaat het er niet om dat ik de ander overtuig. Mijn taak (en die van ieder christen) is getuigen. Getuigen door te spreken over mijn geloof, maar het vooral ook te laten zien. Overtuigen is het werk van de Heilige Geest. Het lastige is dat je daardoor zelf vaak geen resultaat ziet en dat is misschien maar goed ook, want het gaat niet om mij. Mijn vertrouwen is dat God de regie heeft. En wellicht mag ik een instrument zijn om te zaaien. Trouwe Vader, mag ik naast U staan, op de uitkijk naar mijn jongste broer?